dinsdag 20 juli 2010

The name is Bond, James Bond


Jodpur-Udaipur, 17-18 juli

Kailash slaagt erin om ons die ochtend met de rijdende ijskast voor het hotel op te halen. Op ons dakterras genieten we nog een keer van een mooie zonsopgang waarvoor Petra, Wilfried en ik om 6 uur zijn opgestaan. Vandaag staat opnieuw een lange rit van ruim 250km op het programma naar Udaipur. Amper de stad uit stoppen we bij enkele lokale handwerkers van klei en tapijten en Tim lukt het zowaar om een handgemaakt vloertapijt van 2 meter lang voor de helft van de prijs te bemachtigen. De hele familie onderhandelt mee, maar het is duidelijk dat zij harder het geld nodig hebben dan Tim z 'n tapijt en dat werkt in zijn voordeel. De huisoudste voorspelt dat deze deal geluk zal brengen.

Onderweg wordt twee keer gestopt. Een keer nog in de woestijn en plotseling begint het landschap rigoreus te veranderen in een groene oase. Tegen de horizon doemen bergen op van een kleine 1000 meter hoog. De weg kronkelt met haarspeldbochten omhoog en Kailash geniet voelbaar van deze afwisseling van rijstijl. Het decor van jungle brengt apen met zich mee en de grootste Hindoetempel. Blootvoets rennen we over de hete tegels om een groot deel van het immense complex te verkennen. Het is de enige afwisseling op de lange autotocht. Nog steeds is het broeiend heet en wanneer je lang op een plek in de tempel blijft staan, ontstaat er vanzelf een klein plasje water onder je. De tempel is typisch Kymer stijl zoals je ze eigenlijk meer in zuid-oost azie tegenkomt (Angor Wat in Cambodja). De grijze stenen, veelal opgebouwd als een uitgerekt ei en de immense details die in de stenen zijn verwerkt. Ze vertellen het verhaal van mensen, dieren en goden en hun onderlinge omgang. Ze wijzen de weg in het leven en daarna.

Wij vervolgen onze weg hoog de bergen in, over de pas naar Udaipur. Onderweg een cola in een berghotel waar een heuse Sandokan met meterslange snor en tanden zo groot als luciferdoosjes ons welkom heet. “There are tigers here”, vertelt Kailash, “but no more then 5”. Hij acht een ontmoeting waarschijnlijk onmogelijk.

Wanneer we de stadsgrenzen van Udaipur bereiken, is het inmiddels behoorlijk gaan regenen. Het laatste stuk hebben we een nieuwe autoweg gezien waar rotsblokken de linkerhelft van de weg versperren, met de eerste regen meegekomen van boven. Maar ook de autoweg is niet heilig voor doortrekkende nomadenstammen met hun geiten of koeien. Kailash vertelt over Pakistaanse vrachtwagenschaffeurs die soms 24 uur per dag achter het stuur zitten en de vermoeidheid onderdrukken met rum. “But I am here for your safety”. Het is maar goed dat er een Ganescha (de heilige olifant) aan zijn achteruitkijkspiegeltje hangt.

We moeten een ATM vinden om de roepies weer aan te vullen en in de stromende regen laat een klein druk gebarend mannetje ons de kleine pinautomaat binnen. De ATM is door hem heilig verklaard. We moeten het pasje afgeven en hij toetst zelf in Hindi de juiste gang van zaken in. Wanneer de Geldgod om een PIN nummer vraagt, schreeuwt hij bijna “Number, number!”. Ook bij het geldbedrag vraagt hij ons ongeduldig snel te toetsen. Hij buicht naar het apparaat en als het briefgeld hoorbaar wordt geteld in het apparaat, lacht hij ons toe. We hebben goed gedaan, we krijgen ons geld.

Opnieuw is ons hotel in de oude autovrije stadskern gevestigd en opnieuw betekent dat het verschepen van onze grote lading bagage in twee mini tuk-tuks die met 5 opgevouwen passagiers en twee chauffeurs dwars door het drukke stadscentrum van Udaipur moeten. Bij het hotel worden we hartelijk welkom geheten. De 3 en 2- persoonskamer bevinden zich op de 3e verdieping. Gelukkig, een lift. Daarboven bevinden zich het restaurant en het dakterras waar we een magnifiek uitzicht hebben op het meer en de vele paleizen op en aan het water. Het meer heeft zich sinds de start van het regenseizoen nog maar met enkele meters water kunnen vullen. De voorbijgane maanden heeft het drooggelegen. Nu is het weer wat het beoogd te willen zijn: een Indiaas sprookje. Het beroemde spierwitte paleis ligt in het midden van het meer en is met kleine bootjes bereikbaar. Het paleis is nog eenmaal zo groot door haar eigen reflectie in het water. Doordat het water geen stroming heeft, is het plaatje perfect en verdringt menig fotograaf zich aan de dakrailing voor die eveneens perfecte foto.
Udaipur kent geen vlees, de Hindoes hier eten geen vlees. De komende twee dagen eten we dus vegetarisch, achteraf (de buikloop van iedereen nog niet wetende) maar goed ook. Het blijft bij knoflookbrood, wat vet gebakken frietjes in veel te scherpe saus, groenten met wat geitenkaas overbakken, macaroni of spaghetti.

We slapen in relatief kleine kamers. Het is wat behelpen met de bagage en de douche doet met z'n twee vierkante meter ook dienst als toilet. Een voordeel heeft het wel: de airco kan z'n werk prima doen en die nacht ondervinden we de aangename verkoeling als in de groentelade van een ijskast. Niet erg gezond, zo zal blijken, maar wel lekker.

Mangosap, een gekookt ei, toast, jam, banaan, koffie of thee. Na het ontbijt maken we kennis met onze stadsgids, een leerkracht van de oude stempel. Het type dat wilt dat je hem aankijkt als hij wat zegt. “Hello sir, please...” de aandacht op zich vestigend. De onverstoorbare opvoedkundige leidt ons naar de stadstempel waarvoor zich enkele van de allerarmsten, de gekreupelden, de blinden, de ondersten van het stelsel verzameld hebben voor een stukje overgebleven brood of een roepi. e wierook houdt de ergste geur tegen van wat hier allemaal losloopt aan dieren die met alle gemak van de wereld hun uitwerpselen lozen op iedere willekeurige plek. In de tempel zitten ouderen bijeen voor gezang onder strenge aanvoering van een Saddhu, het kleurrijke opperhoofd die zorgvuldig de teksten naloopt of alles wel in goede volgorde en compleet wordt gezongen.

Even later staan we op een klein kruispunt waar zich een onnavolgbaar schouwspel voltrekt van ruziende tuk tuks om de gunst van de klant. “You know Octopussy?”, vraagt de meester, “you know James Bond? Here they made the scene with the Riskja's”. Inderdaad hadden we al gelezen over de film die ruim 25 jaar geleden hier, op exotische locatie werd opgenomen. Een krokodil bevechtende Roger Moore, snorkelend door het meer, zich vervolgens met touwen langs de paleismuren een weg baant naar Octopussy en haar vrouwenleger. De mensen hier gaan er nog steeds prat op. Klokslag 7 uur wordt iedere avond in veel restaurants de film opnieuw vertoond. De film mag gedateerd zijn, in Udaipur is de tijd stil blijven staan. Voor 007 is niets veranderd.

We bezoeken het grote City Paleis, een van de grootste in Rajasthan, in zeer goede staat. We lopen door de immense gangen en kamers, van goud, marmer, bedekt met handgemaakte tapijten, soms helemaal van spiegels. Het leven van de Maharadja's en zijn vrouwen wordt ons nog eens door het meestertje uit de doeken gedaan. “Mind your heads please”. De gangen zijn laag en lang. We doen er bijna twee uur over om via de King en de Queen weer buiten te geraken. Daar hebben we afscheid van meestertje genomen en zijn gediplomeerd nu zelf op zoek gegaan naar bezienswaardigheden waarvan er hier twaalf in een dozijn te vinden zijn.

De lange dagen, de warmte, het exotisch eten, de veel te koude airco's. Het eist zijn tol. De 24 komende uren heeft de een na de ander last van maagpijn of buikloop. De huisapotheek wordt aangebroken om erger te voorkomen. We blijven die avond rond het hotel hangen. Wel bezoeken we nog een dansvoorstelling die wordt gehouden in een van de ondergekomen ruïnes langs het meer. Het laat zien hoe het harde leven gebaat is bij enige troost in de vorm van muziek, poppenspel en dans. Vrij vroeg kiezen we het bed, met rommelende magen, maar niet van de honger.

zondag 18 juli 2010

De blauwe stad

Jamailser-Jodpuhr -16 juli
Marina en Petra kennen een onfortuinlijke nacht. De harde matrassen dwingen de meiden tot een keuze: heel vroeg opstaan en naar het dakterras of doorgaan met de fakir gelijkende martelarij op het bed. Ze kiezen voor het eerste. De heren wachten op de wekker en hebben die ook nodig om wakker te worden. Het is steeds weer wennen om vanuit de airco gekoelde ruimte geconfronteerd te worden met die overweldigende hitte. 34 graden om 8 u 's ochtends. Op het dakterras wacht ons een uitgebreid ontbijt waarna het ritme intussen gekend is. Tassen inpakken, een handjevol spontane dragers die weten dat je gaat en snel nog even geld aan je willen verdienen. Een gezelschap van reizigers en dragers meldt zich vervolgens bij de eeuwig glimlachende Kalaish. “Ok, ready? Lets go”. Vandaag gaan we van de gouden naar de blauwe stad, wederom 230 km verder. Eerst bezoeken we nog een zilversmid, voor Wilfried een kans om z' n zilvercollectie op originele wijze aan te vullen. De smid woont in een buitenwijk van Jamailser waar de tijd lijkt stil te staan. Opnieuw koeien op de smalle straten, groente- en fruitverkopers die zich met hun karren om de heilige en onverstoorbare koeien een weg banen. Varkens die links en rechts uit de drainage kanalen springen en zich net voor je droogschudden.

De weg is simpel. Ergens is een kruispunt tussen alle grotere steden. Wie voor een stad kiest, moet via dezelfde weg terug (vaak 100 km), kiest vervolgens een volgende afslag voor een andere stad (nog eens 100 km). En daarna weer 100 km terug. Een weg leidt terug naar Delhi.
Nu zijn we op weg naar Jodphur. De 'city of gold' of ook wel de blauwe stad genoemd vanwege de vele blauwe gekalkte huizen. Als we Jodpur naderen, rijst voor ons het kolossale Marrenger Fort op op zijn al minstens zo imposante heuvel. We stoppen gezien de openingstijden bij het fort en met vijf hoofdtelefoons als digitale gidsen gaan we door de metershoge poorten. Ieder moment verwacht ik Gandalf of Frodo te zien, want de Lord of the Rings kon er zijn opgenomen. Het fort is in zeer goede staat, het is in de geschiedenis nooit door een vreemde mogendheid ingenomen. De binnenplaatsen vormen kleine paleizen, waarlangs ontelbare raampjes het spoor van net zo ontelbaar veel smalle gangen trekken. Eenmaal boven is de stad en de verre omgeving, evenals een naderende zandstorm goed te zien. We dwalen twee uur door het fort, het is geen straf, omdat ook de hitte zich geen meester kan maken van de metersdikke muren.

Na afloop gaan we direct door naar het voormalige crematorium, een tempel aan een heilig meer. Het is compleet van marmer opgedragen aan de laatste dienstdoende Maharadja, zo' n 100 jaar geleden. We lopen zoals de Hindoetraditie voorschrijft met blote voeten over het complex. Houtstapels verraden de plekken waar het aardse afscheid van de dierbaren genomen werd, de as vervolgens uitgestrooid in het meer.

Ons hotel bevindt zich in het drukke oude stadscentrum van Jodpur. Kalaish laat weten daar niet met de bus in te kunnen. Zijn oplossing is simpel: we nemen twee tuk-tuks en hij rijdt achterop de brommer van een vriend mee, de bus op een parkeerplaats achterlatende. Zijn wil geschiedde. Even later zitten Tim, Marina en Petra inclusief drie grote tassen en rugzakken op een 90 cm breed bankje van de tuk-tuk. Een legpuzzel in 10 stukken. Voor Wilfried en Albert geldt hetzelfde en in high speed gaat het door het overvolle centrum. Het zal duidelijk zijn dat we niet de enige op de weg zijn. De tuk-tuks staan in een rij (?) van 10 naast elkaar voor het verkeerslicht. Eenmaal op groen geldt het recht van de sterkste, de grootste, de snelste, de brutaalste. In het autovrije centrum vallen weliswaar de autoś weg, maar krioelt het van de mensen, kraampjes, runderen en fietsers. Even sluit ik m'n ogen omdat m'n hersenen de visuele informatie niet meer in de juiste volgorde kunnen verwerken.

Het is zes uur als we wederom helemaal bezweet op het uitgestrekte dakterras plaatsnemen van onze nieuwe Haveli (hotel). Wederom mooie ruime kamers met ventilatoren en aircoś wat echt niet dubbelop is te noemen. We eten die avond uitkijkende over de mooie binnenstad. Een mooi lichtspel met allerhande geluiden van Minaretten, kerkklokken, de lokale groente- en fruitmarkt, toeterende autoś en riksja's. We genieten van een heerlijk Indiaas gerecht van kip (mild, not spicy) en enkele verkoelende Kingfisher biertjes waarmee we de nacht inluiden. En altijd nog Fort Marrenger in de nabijheid over ons wakende.

De Gouden Stad

Osia-Jalmaisar –15 juli 2010-
Jalmaisar is onze volgende bestemming, wederom 200 kilometers door het dorre en oververhitte landschap van Noord-West India. De komende dagen bezoeken we de grote kleurrijke steden: de blauwe stad, de paarse stad en de gouden stad. Deze bezoeken we het eerst vanwege het grote fort dat boven de stad prijkt. Na de reünie met Kailash gaat het in snel tempo over een goede tweebaansweg richting Pakistan. De hoeveelheid militair transport neemt zienderogen toe: tanks, soldaten, materieel. India en Pakistan zijn bepaald geen vrienden. Het is eigenlijk net zo verdeeld over de landsgrenzen als Noord en Zuid Korea. Ook India ziet Pakistan nog steeds als haar natuurlijk bezit. In tegenstelling tot de Korea's beschikken deze beide landen wel over kernwapens. Het is een beangstigende gedachte. En ook een wrange als je het beeld ziet van de overwoekerende armoede; wie zou hier ook meer iets mee opschieten als beide landen elkaar te lijf zouden gaan.
Na een ruststop van een uur gaat het snel weer verder en tegen 14 uur zien we in de verte het geel van Jamailsar, de gouden stad die zijn naam van verre eer aan doet. De temperatuur in deze woestijnstad is hoger dan in de afgelopen dagen. Kailash stelt voor een stadsgids te regelen voor de bezichtiging van de eeuwenoude stad. Dat doen we nadat we in ons hotel zijn ingecheckt. Het hotel ligt in het oude stadscentrum dat een ontspannen middeleeuwse en beetje midden-oosten gevoel oproept. Het pleintje is vervuld met heilige koeien, kaartende mannen, varkens in de open rioolafwatering en natuurlijk auto's en brommers door de voor hun veel te smalle steegjes.

Het hotel is weer een oase van rust. Door een dikke boogmuur bereiken we een binnenplaats waar de receptie is. De jongens krijgen weer de grote gemeubileerde kamer met hemelbed, plafondwaaiers en airco. Plus een badkamer waar je met z'n vijven tegelijk gebruik van zou kunnen maken. De dames moeten het met harde bedden doen en een iets kleinere kamer. Ook bij ons tekent zich onbewust het beeld af van deze samenleving: de onderdrukking en minachting van de vrouw.

Om drie uur meldt zich Laasj, een gids van het hotel die ons zal rondleiden door het fort, de Haveli's en het nabij gelegen meer. Die laatste zien we maar van afstand. Een bewoner heeft de vorige avond zelfmoord gepleegd en men is nog zoekende naar hem in het diepe water. Het fort blijkt nog bewoond te worden door maar liefst 5000 inwoners, waarvan een groot deels verkopers van toeristische waren. Het is een bazaar van restaurants, winkeltjes en een enkel museum ertussen.

De citytour komt vanwege de hitte in gevaar. Hoofdpijn en zuurstoftekort maken de bezichtiging onmogelijk. De temperatuur voelt nu echt onmenselijk. We staken de trip en ondanks de imposante vergezichten op de torens van het fort, kiezen we snel voor afkoeling op het dakterras van ons hotel. Ook daar is het heet, maar water en later een ijskoud biertje zorgen voor de broodnodige balans. Het dakterras is druk bezet en in de verte horen we de minaret. Een deel van de bevolking is moslim. De stad kent geen hoogbouw en we kijken dan ook op vergezichten van platte daken uit. Weer domineert die indruk van het Midden Oosten. De bediening heeft zwaar katoenen bruine hemden aan, als uniformen. Alles is te krijgen en de prijzen vallen mee. We reserveren voor die avond een tafel en verheugen ons op de eerste meer Europese maaltijd: pizza. Marina durft zelfs een scherp tomatengerecht aan. Gecombineerd met de hitte levert dat een waterval aan transpiratie op. Tim heeft ontdekt dat zich zowaar een wifi netwerk in het hotel bevindt en dat betekent dat we eindelijk het thuisfront kunnen berichten over de belevenissen in dit kleurrijke land.
Tegen tienen liggen we op een oor, vermoeid, voldaan en klaar voor het lange vervolg. Om 8 uur gaat de wekker en hoe lang de nacht ook leek, het is maar goed dat we hem hebben gezet.

Over ratten, kevers, spinnen en het rijke buitenleven

Bikaner-Osia -14 juli-

Namaste! Kailash trotseert vandaag wederom ruim 200 kilometer door de eindeloze Thar woestijn, steeds verder weg van de drukte van de grote steden. De steden worden dorpen, de dorpen worden nederzettingen. We reizen steeds verder naar het westen, richting Pakistan. Iedereen in de auto valt meerdere keren in slaap; de dieselende ijskast doet z'n werk op een verder kaarsrechte, monotone weg. Onderweg zien we alleen een enkele herder met z 'n geiten, ploegen d door dromedarissen, jongens bij 'wegrestaurants' voor vrachtwagens die in handgemaakte vuurovens brood bakken. Men pobeert er alles aan te doen om met irrigatiesystemen enig water op de dorre woestijnland te krijgen. Het water komt van ver, en zeker niet uit de hemel.
We zijn op weg naar Osia, het Verwegisthan zelfs voor Indiase begrippen. “No electricity, no water” klinkt het dreigend vanaf de chauffeursstoel. Een survivaltochtje als afwisseling op de lange reisdagen. De eigenaar van het tentenkamp belt mobiel. Hij waarschuwt om niet voor 4 u 's middags te arriveren, het is er veel te heet. Ruim boven de 40. Dus nemen we alle tijd om eerst de rattentempel van Deshnok te bezoeken, zo'n 20 km van Bikaner verwijderd. Als je in India een ratten- of muizentempel bezoekt, denk dan niet dat het om beelden gaat of dat er een god als rat of muis mee bedoeld wordt. Letterlijker. Veel letterlijker, 1000 keer letterlijker. Even later walsen we zonder schoenen (tempel!) door de stront en plas van duizenden verzamelde ratten in een tempelcomplex. De tamme ratten zitten van hoog tot laag, soms op elkaar geplakt, een enkele dood, een ander ziek strompelend. Soms tot aan je voeten. Oppassen dat je er niet op trapt, al was het maar omdat ze door de Hindoes heilig verklaard zijn. We lopen maar met de gelovigen mee die de ratten uit de hand voeren. De bedompte donkere gangen met krioelende ratten heeft nog een ander nadeel: de pregnante geur van riool en andere dingen die we hier maar niet beschrijven. De nieuwe sokken ten spijt, nemen we er even later snel en collectief afscheid van. Terug in de schoenen en maar hopen dat de geur snel de zintuigen verlaat.

Het is heet, opnieuw 35 graden en soms heter als de zon fel door de blauwe hemel steekt. De hele dag het klamme gevoel, nat. Water is het meest gekochte product, liters gaan dagelijks door de mond en verlaten even snel via de poriën ons lichaam. Op naar de woestijn! Tegen 4 uur belt Kailash met de eigenaar van het tentenkamp om af te spreken bij een verlaten kruising in de middle of nowhere.
En jawel, we zien een jeep met een aanhangkarrtje en een man met blauw T-shirt driftig gebarend. We moeten overstappen omdat de bus niet mee in de losse zand. We spreken met Kailash de volgende ochtend af en even later rammelt de oude jeep over het zand, dwars door de akkers richting de horizon.

Langs de vele lemen hutten snellen de kinderen de naderende jeep toe. Wij zijn de attractie voor die dag. We zwaaien terug. Er is geen weg, die maakt de jeep wanneer hij het spoor trekt langs de akkers. Na heel wat bochten en heuvels bereiken we het kamp. Er staan inderdaad twee grote teneten klaar tussen twee langgerekte heuvels met bovenop een stenen gebouwtje in aanbouw. “This will be the new restaurant”, “because of the wind and the sand”, legt de vriendelijke eigenaar uit na aankomst. We zijn meer dan welkom als enige gasten. Naast hem is er nog een kok, een ober en in de verte zien we kamelendrijvers staan voor de volgende etappe. De tenten zijn ruim, comfortabel ingericht met eenpersoonsbedden, een badkamer (bidet) met heus toilet. Binnen is het er echter niet om uit te houden. We snakken naar lucht dus snel weer naar buiten. In het midden van de vlakte staat een soort van tentpaviljoen met een lange tafel. Ons restaurant. Na koffie en thee worden we uitgenodigd om een kamelentocht te maken naar de zandduinen, een klein uurtje heen, een klein uurtje terug.

De kamelendrijvers zijn de boeren zelf die trots langs hun eigen huizen rijden. Weer is het wennen als het lange dier het luchtruim kiest met z'n lange poten. Ieder van ons met een dromedaris en de boer achterop. Even later vertrekt de karavaan de zonsondergang tegemoet. De sirene rust valt op. Alleen het geluid van de pauw galmt door de eindeloze vlakte. De herten nemen de loop als we te dicht naderen, maar echt bang zijn ze niet. Bij de zandduinen nemen we pauze. De dromedarissen zakken door hun poten en wij strekken de benen. Zadelpijn. Op de duinen verzamelen zich belangstellende, wat verlegen kinderen uit de verre omgeving. Ze hebben nog nooit een videocamera gezien en het is heel wat als ze zich bewegend terugzien op de kleine monitor. En alle 20 kinderen moeten erop. De terugweg hebben we de laatste zon in de rug. De temperatuur wordt getemd. Het is nog maar 34 graden en de lucht lijkt zich weer met zuurstof te vullen.

Douchen? Ja, insmeren met zeep en snel 10 kannetjes lauw water eroverheen. We prepareren ons voor het diner. We krijgen twee stormlantaarns gevuld met olie die ś nachts het enige oriëntatiepunt vormen. Daarnaast enkele zaklantaarns. De instructies zijn simpel: loop niet op blote voeten en controleer altijd je schoenen eerst voordat je ze weer aan doet. Zodra het donker wordt en we aan het kaarslicht aan het diner beginnen (rijst, kip, een heerlijke groene tomatensalade, chapata brood, een dikke saus van linzen voor over de rijst), kondigen zich de gasten voor de nacht aan: het insectenrijk van Rajasthan, net zo kleurrijk en net zo massaal als de mensen. Ook zij heten ons als enige gasten welkom en zijn blij. Uit alle hoeken en gaten lijken ze te komen. Klein, groot en soms heel groot. Muggen, vliegen, kevers, spinnetjes, motten, wandelende takken, en soorten die we nog nooit gezien hebben. Alles vliegt over, in en uit de cola, het bier, de linzensaus. Op het bord is veel beweging waar te nemen. Het eten wordt eerlijk gedeeld.

We spreken in verband met de hitte af om buiten, voor de tent te slapen en zogewenst wordt ons kamp verdeeld in binnen- en buitenblijvers. De laatsten bivakkeren op een veldbed voor de tent. En zo begint een lange, lange nacht met veel angstige waarnemingen. Soms visueel doordat de zaklamp onmiddellijk de gevaarlijk ogende reuzespin op het tentdoek vangt, soms auditief de dichterbij naderende insecten waarnemende en soms een meer gecombineerde zintuigelijke ervaring: huidcontact. Alleen in het geval van de sigarettendoosjes grote kevers aanleiding om wakker te schieten en je van de terechte waarneming te ontdoen. Warm, warm. Slapen, nauwelijks. Om 2 uur s'nachts is er nog een pauze in de lange nacht. Petra, Wilfried en Albert gaan de tweede helft heldhafiger in en laten zich niet langer storen door het insectenrijk. We willen slapen.

Een prettig briesje zorgt voor enkele uren slaap. Tegen vijf uur melden zich nieuwe gasten, bij het aanbreken van de dag beginnen de koolmeesjes driftig fluitend aan hun dagtaak: het bouwen van nesten in de overkappingen van de tent. Ze schuwen onze aanwezigheid niet. En verder slapen is ook een geen optie. In de verte nemen we met kleine ogen herten waar. We zijn midden in de dierentuin, wat een ervaring.

Na het opstaan zien we aan de witte lakens welke veldslag gewoed heeft. Overal zijn zwarte punten en vlekken waar te nemen. De olielamp is gevuld met dode insecten, maar brandt nog steeds tegen de opkomende zon.

Een heerlijk ontbijt wacht ons onder het grote tentdoek. Voor het eerst zien we ook de gesluierde vrouw van de kok die ons van verre komt voorzien van ei, melk, brood en jam. Nadien breken we op en brengt de jeep ons weer naar de bus van Kailash. De weg van gisteren is echter omgeploegd door de boeren en de chauffeur baant zich vloekend een nieuwe weg door de akkers. Het is en blijft een bijzondere ervaring.

donderdag 15 juli 2010

Beautiful, Busy, Booming, Bumpy Bikaner

Mandawa-Bikaner -13 juli

Een kamelentocht staat op het programma. Om 8 uur s' ochtends wel te verstaan, nog voor de verzengde hitte iedere beweging verhindert. Een snel ontbijt en daarna op, een praatje met Kailash over het kastenstelsel waarin de bevolking van India is ingedeeld in vier kasten of lagen. Ik ontmoet de Holy man, klasse 2, een waarzegger waartoe ieder gehuwd stel zich hier in de regio wend om hun kind een naam te laten geven. Hij heeft het druk met de voorspellerij, weet hij zuchtend te melden. De gehuwde vrouwen lopen gesluierd rond. Niemand, behalve familie en echtgenoot mogen hun gezicht zien. Een eerdere Maharadja is schuld aan dit ritueel. Hij roofde jonge meisjes langs de kant van de weg. Heel wat jong schoon werd op deze wijze aan zijn harem toegevoegd. Maar bedekt wilde zeggen, gehuwd, niet meer verkrijgbaar en/of niet herkenbaar als jong schoon. De kamelen blijken dromedarissen te zijn, een bult met zadel, maar wel ruim 2m de lucht in. Tel daar je eigen lengte bij op en je snapt je hebt een aardig uitzicht. De viervoeters zijn gewillig, meer dan ons onwennig gezelschap dat met vertrokken gezicht wacht tot de dromedaris de hoogte kiest met z'n achterpoten eerst.
De tocht voert door kleine dorpjes van kleihutten waar ieder gezin zijn eigen kleine kavel heeft. Een kleine vierkante zandvlakte, met een koe, een geit, een gezamenlijke waterput. De kinderen wuiven, de vrouwen duiken achter hun hoofddoek. We zijn geen maharadja's, maar weten zij veel. Blonde vrouwen zien we niet veel, dus attenderen ze de kinderen op de blonde mensen uit een verre wereld. Het is niet voorstelbaar dat zij ooit de dorpsgrenzen zullen verlaten. Hun leven speelt zich op het kavel en het platteland af, van zonsopgang tot zonsondergang.

De kamelen gaan door de knieën en dat betekent het einde van de tocht. Kalaish wacht ons vriendelijk gebarend met een duim in de lucht op. Weer moeten we de ijskast op wielen in, dit maal ruim 200 km naar Bikaner, de bekende stad met het imposante fort. Een lange rit, door het isolate Rajasthan, de veruit kleurrijkste provincie van Noord-West India. Zo groot als Nederland.
Tegen 14 uur arriveren we bij ons hotel, de voormalige ambtswoning van de minister-president en broer van de laatste maharadja. Het zal duidelijk zijn dat we terechtkomen in een museum dat dienst doet als hotel. Opnieuw wanen we ons de koning te rijk. De kamers zijn volledig gemeubileerd alsof de maharadja ieder moment binnen kan komen. Fokten, jachttrofeeën, een tijgervel, de antieke lichtschakelaren, het bidet. Een luxe schommel op de veranda.
Om 15.30 de stadstour door Bikaner en de bezichtiging van het fort. Een nieuwe gids meldt zich vriendelijk lachend als city tour guide. Met hem bezichtigen we eerst het imposante, kilometers lange ommuurde fort waarbinnen zich al eeuwenlang de verschillende paleizen van de maharadja's verbergen. Vanaf de 17e tot de 20 eeuw praal en pracht. Maharadja's die zoveel vrouwen mochten hebben als wensen, alleen gecastreerde mannen in het bijzijn van vrouwen duldde en alleen doven en blinden toeliet bij diplomatieke gesprekken met vertegenwoordigers van verschillende landen.
Eenmaal buiten de poort van het fort gaat het met twee tuk-tuks naar de oude binnenstad van Bikaner. Nu zien we een India dat geheel contrasteert met de eerdere indrukken. Afgezien van der hectische drukte van mensen, dieren en voertuigen, is er die geur. Stel je haalt een riooldeksel op straat los, gooit er tientallen kilo's koriander in en zet boven de put een enorme ventilator. Dat is ongeveer de geur die in je neus blijft zitten. Het is een drukte vanjewelste, van concurrentie wie het eerst nergens is. Tot alles weer vaststaat. Honden die in de smerige afwatering langszij de smalle straatjes verkoeling zoeken. Koeien die hun hoofd dompelen in open rioolputten. Mensenmassa's op de been voor de kapper of de garage, voor de apotheek of de slager, naast elkaar gehuisvest in een wir war van huizen waar de elektra van links naar rechts het zicht ontneemt op een gele hemel van uitlaatgassen. We nemen een koele slok water bij de bezichtiging van een Hindu tempel, een oase van rust in een wereld die je niet kunt thuisbrengen. Je waant je in het Midden-Oosten of in Kathandu.
Ons museum beschermt ons die avond tegen alle geluiden, hectiek en geuren. Het slaapt nadrukkelijk onder de hemelsgrote plafondventilatoren. Zeker nadat we weer enkele 640 ml. slaapmutsjes tot ons hebben genomen.

Oranje boven in India

Oranje boven in India
Delhi -11 juli- Als geuren digitaal konden worden opgeslagen, zouden we een staalkaart van alle geuren hebben gemaakt. Het zijn de geuren en kleuren die het verhaal van India gaan vertellen. Ik schrijf dit op onze vijfde dag, tijdens de 300 km lange autorit van Osia naar Jalmaisar, dicht aan de Pakistaanse grens in Noord-West India, tenmidden van een uitgestrekte woestijn en temperaturen tegen de 40 graden... Maar terug naar het begin, die zondag van de verloren finale (hahaha). Die zondag begon voor ons om 5u s'ochtends, waarin Fer en Marlies ons begeleiden naar Dusseldorf. Van Dusseldorf is het 35 min. vliegen met de Fokker 70 naar Amsterdam waar de grotere broer om 10.30 u opstijgt richting Delhi. Er zijn enkelingen in het oranje uitgedost, waaronder ikzelf met mijn oranje shirt, onwetende dat India helemaal niets heeft met voetballen, ook geen WK. De vlucht voorloopt voorspoedig, via Polen, Rusland, Oezbekistan, Afghanistan, Pakistan tenslotte India. Ik volg het op m'n schermpje waarop je je verbaasd dat de wereld zo snel aan je kan voorbijtrekken. De eindeloze woestijnen boven Afghanistan gaan in de zon onder.....gevolgd door een imponerend onweer met een oneindige schier aan flitsen boven Delhi. De MD11 met zijn drie motoren weet de ruim 300 passagiers zachtjes te doen landen. Een enkeling schrikt wakker, we zijn er al, na amper 7 u en 10 min. met de wind mee. Ruim 7000 km van huis en dat merk je onmiddellijk: de geurendoos gaat open in een avondtemperatuur van 34 graden. Massa's mensen, lawaai, getoeter, tuk-tuks, auto's, brommers, koeien op straat. Welkom op een zwoele avond in de hoofdstad van India.

Voor ons staat een groot postuur, snor, net gekamd haar. Party Kampermann? Het is Kailash, onze chauffeur en gids voor de eerste 11 dagen. Namaste! Welcome to India. We lopen door de exit van het Indira Ghandi International vliegveld, als brave hondjes achter hem aan. Langs de hordes mensen, tussen taxi's naar de parkeerplaats. Het zweet staat in de schoenen. De vochtige lucht neemt bezit van ons, we dachten vanuit Nederland nu wel wat gewend te zijn. Maar dit! Kailash opent tenslotte de schatkist: een airco gekoelde 9 persoons bus. For you, all the time! Hij deelt onze directe vreugde; iedereen neemt als vanzelf plaats op een van de zachte stoelen in deze ijskast.

Het is een dik half uur naar het eerste hotel aan de buitenrand van Delhi, een beveiligde sector waar enkele hotels bijeen ommuurd zorg dragen voor buitenlanders. Kailash mompelt op zijn typische Indiase engels nog iets over de volgende dag en overhandigt ons een dikke A3 enveloppe waarin zich ons aanstaand avontuur bevindt in de vorm van vouchers, trein- en vliegtickets. De dikte van het pakket doet ons vermoeden dat we langer dan 25 dagen hier zullen blijven....

Het is Robben die we als eerste zien nadat ik op de hotelkamer tussen de 200 zenders een Engels tv station vindt dat verslag doet van de WK. We liggen allemaal voor de airco en zien en horen 'how the heart of the Dutch is broken'. De rest is intussen geschiedenis.....

We liggen om 3 uur Indiase tijd in bed, waar ook, we moeten omschakelen. Om 6.45 gaat de wekker. En die stelt zich met gemak om. Toch zitten we er redelijk fit bij, aan een lange tafel voor het ontbijt, scrambled eggs, erg wit, bepaald niet van uitloopkippen. Natuurlijk is er ook rijst, maar we doen het met de Chapati, het pannekoek gelijkende brood.
Om 7.30 verwacht Kalaish ons voor de rit naar Mandawa, zo' 200 km westwaarts. Ook hij heeft er zichtbaar plezier van ons Delhi voor even te doen vergeten. India ligt ergens anders, moet ook hij, afkomstig van het platteland, denken. Delhi is na 30 min verleden tijd. De vierbaans tolwegen maken plaats voor een tweebaansweg met af en toe asfalt. De weg naar Mandawa is 'bumpy, vertelt Kailash, “safety first”, “we are in no rush”, terwijl hij tenauwernood na een inhaalmanoevre weer de linkerhelft weet te bereiken. Ja, links, het is een linksrijdend land, al is dat op kruispunten en voor spoorwegovergangen niet duidelijk. En o ja, hier in India dienen zich ook tenminste drie nieuwe verkeersdeelnemers aan: dromedarissen, heilige koeien en geiten. Die hebben onderling geen afspraken gemaakt over voorrangsregels. Een ding is wel duidelijk: de mens moet ten alle tijden vol in de rem. Hindoes doden geen dieren. Ook Kailash niet. Dus van 80 km/u naar o in 3 seconden onder luid getoeter is eerder regel dan uitzondering. Het dierenrrijk mag blij zijn met Kailash en wij met Kalaish.

Mandawa is een woestijnstad. De weg naar Mandawa voert langs vele kunstmatig besproeide landbouwgronden. Rechte wegen, bochten kent men niet in India. Altijd maar weer kilometers lang opdoemende wegen heuvel na heuvel. Onderweg bezichtigen we een grote plaatselijke Hindutempel. De bedelende vrouwen met hun kinderen (please sir, money for vaccination) wachten ons op. We weren ze echter af, ook op advies van de gids. Do not believe anybody, you get in trouble, zichzelf hopelijk uitzonderend. Zonder schoenen mogen we de grote tempel in waar een klok de goden laat weten dat je er bent. De hete stenen verbranden de voeten, dus het wordt een snelle kijk, met de klok mee zoals een goede Hindoe betaamt, maar dan in 5 minuten.
De beloning aan het eind van de middag is terecht: Mandawa verwacht ons met een zandheuvel waarop een soort van fort is gebouwd waarvoor verschillende in witte hindoe-dracht buigende Bramanen ons verwelkomen met een bloemenkrans en een oranje tika op ons voorhoofd. De locatie is als uit de boeken: koloniale sfeer, Afrikaans gelijkende hutten, grasveld. Een vlag op de toren. Mannen met brede snorren. Bierflessen met 640 ml. Een vreemd soort eekhoorn steekt het veld over en weer. De grote pauw. Het plaatje klopt. Onder het genot van een drankje onder een groot tentzeil zijn we nu in India. De ontspanning is er. Er wordt gelachen, het bier doet zijn werk. In de verte kondigt zich een regenbui aan die ras nadert. Het landschap wordt grauw. Ieder detail verdwijnt achter......zand. Het is een zandstorm die overtrekt. Dat stond ook nog op het menu.

Kaarsen, Indiase poppenspelers, gezang. Langs de tafel wordt een perfect Indiaas gerecht opgediend. Met wel 8 obers. Dat gaat snel en vriendelijk maar we snappen natuurlijk ook wel dat wj uiteindelijk de rekening voor die luxe betalen. De kolonisten rekenen uiteindelijk 60 euro met z'n vijven af. Een koopje. De kamers zijn ruim. Kolonisten houden van sofa's, koelte en ruime badkamers met ligbad. Het is er allemaal en het oranjegevoel is zonder pijn overgegaan, voorzover ook maar iemand in ons gezelschap daar last van had en zeker al niet onze Belg. Oranje is gewoon de favorite kleur van de Hindoes; een nieuw oranje staat aan het begin van een reis door Noord-West India!

zaterdag 10 juli 2010

De finale aan het begin

Morgenochtend begint de reis om 5 uur vanuit Heerlen naar Dusseldorf. Vandaar vliegen we (terug) naar Amsterdam waar de grote vlieger van KLM ons naar New Delhi brengt. Als alles goed verloopt landen we nog voor het begin van de WK finale. Een enkeling zal zich oranje kleden teneinde ook in India te beschikken over een klein legioen van fan(s). We hopen in het Hotel nog iets te kunnen meebeleven van het spektakel en ach in India zijn na afloop alle kleuren winnaar. Zien jullie in de blog in India. Namaskar!